kerstverhalen
Op deze pagina staan een aantal kerstverhalen.
verhaal.1 (Sterren kijken, door Wim Hofman)Avond. Bartje en Lina zijn in bed. Ze slapen niet. De gordijnen hebben ze open gedaan en ze kijken naar de lucht, die donker en licht tegelijk is. Er is een maan, wit en groot en rond. En ze zien sterren, sommige knipperen of trillen. 'Wat een sterren!' zegt Lina, 'Zullen we ze tellen? Een, twee, drie, vier, vijf, zes. . .' Bij vierentwintig houdt ze al op. 'Jij telt niet mee,' zegt ze. 'Ik heb geen zin in tellen,' zegt Bartje. 'Er staan er veel te veel.' 'Misschien val je in slaap als je telt,' zegt Lina. 'Ik wil niet slapen,' zegt Bartje, 'ik wil naar de maan kijken en ik wil al die sterren zien.' 'Het zijn net oogjes,' zegt Lina, 'ze kijken naar ons, ze geven knipoogjes.' 'Als we een vallende ster zien,' zegt Bartje, 'dan mogen we een wens doen.' 'En wat wens je dan?' vraagt Lina. 'Dat ik nog een vallende ster zie,' zegt Bartje. Ze kijken nog een tijdje naar de sterren. Bartje vraagt zich af of sterren kunnen vallen: ze hangen toch niet aan een haakje? Hij heeft nog nooit een vallende ster gezien. 'Die maan geeft wel veel licht!' zegt Lina. 'Ik zie de schoorstenen en de dakpannen en de planken van de schutting. . .' Bartje kijkt naar al die dingen die Lina opnoemt en hij ziet ook nog een droogmolen en een vuilnisbak. Hij geeuwt. 'Dat is wel goed, al die sterren en die maan,' zegt Lina. 'Zo is er veel licht en dan botsen de schepen die op zee zijn niet en dan verdwalen de kamelen in de woestijn tenminste niet.' 'Ik ga in bed,' zegt Bartje, 'vertel jij maar over de zee of over de woestijn.' Bartje kruipt onder het dekbed. Dat is warmer. Bij de ruit is het maar koud. 'Dit dekbed is net de woestijn,' zegt Lina. Ze geeft klopjes op het dekbed. 'Er zijn heuvels van zacht zand en het is nacht. Door de woestijn loopt een lange stoet kamelen. Ze sloffen met hun grote voeten door het mulle zand. Ze dragen grote pakken. Dat zijn de zwarte tenten en de tapijten en de koffiepotjes en de leren zakken met water. In de woestijn is niet veel water te vinden, daarom moet je het meenemen. Bij de kamelen lopen mannen met speren. Ze hebben een zwarte mantel om en dragen een witte tulband op hun hoofd. Hun schaduwen zijn lang. Dat komt door de maan. Die schijnt fel. De mannen wijzen met hun speren naar de maan en ze kijken naar de sterren. Ze kijken vooral naar één ster die extra helder is en veel licht geeft. Het is maar goed dat die ster daar staat. Zo verdwalen ze niet.' Lina zwijgt even. De maan schijnt nu recht de kamer in. 'Wat een licht, hè?' zegt Lina. Bartje antwoordt niet. Hij slaapt. 'Een goed idee,' zegt Lina. Ze gaat ook onder het dekbed. De gordijnen laat ze open. Ze kijkt nog lang naar de sterren. En ze kiest er een die ze het mooist vindt.
verhaal.2 (Een mooie boom)Katinka en Boris hebben een kerstboom. Hij staat in de kamer. Hij is nog kaal, maar papa heeft een doos met mooie zilveren kerstballen. Die gaan ze in de boomhangen.
Boris pakt een bal en gooit hem in de lucht.
Niet doen! roept papa. Maar het is al te laat. De bal valt kapot.
Het is niet zo erg, zegt papa. We hebben er genoeg. Maar het is beter als Boris even gaat slapen.
Papa stopt Boris in bed. Welterusten, Boris!
Katinka mag helpen om de boom te versieren. Ze pakt een kerstbal.
Even wachten, zegt papa. Eerst moeten de lampjes erin.
Daarna mag Katinka de kerstbal ophangen. Ze wil hem heel hoog in de boom hangen. Maar de bal stoot tegen een tak en valt op de grond. Hij is kapot.
Katinka is er verdrietig van.
Papa vindt het niet zo erg. We hebben er nog genoeg! zegt papa.
Er zijn ook zilveren slingers en houten engeltjes. Ze hangen alles in de boom. Ze doen het heel voorzichtig.
Poes Brannie komt kijken. Ze slaat ze met haar pootje tegen een kerstbal. Zoiets heeft ze nog nooit gezien!
De bal valt op de grond. Hij is kapot! Brannie schrikt ervan.
Papa lacht. Nu zijn er al drie kerstballen kapot! Als het zo doorgaat hebben we er straks geen een meer over!
Nee, zegt Katinka. Nu doen we heel voorzichtig!
Papa steekt een stekker in het stopcontact. De lichtjes gaan branden.
Wat een mooie boom!
Nu is het tijd om Boris uit zijn bedje te halen.
Papa heeft nog een doos ronde koekjes met een gat erin. Kerstkransjes.
Boris mag ze samen met papa in de boom hangen. En dan is de boom klaar.
Wanneer gaan we de kerstkransjes opeten? vraagt Katinka.
Als het kerst is, zegt papa.
Duurt dat nog lang?
Nog een paar dagen.
Katinka en Boris gaan op een stoeltje voor de boom zitten. Ze kijken naar de mooie ballen én naar de koekjes.
Katinka zucht. Wat mooi! Maar het is wel moeilijk om naar koekjes te kijken, als je ze niet mag opeten!
verhaal.3 (Een witte Kerst, door Godfried Bomans)
Er was eens een man die het Kerstfeest grondig wilde vieren. Hij haalde een laddertje uit de schuur en spande langs het plafond de rode papieren slingers die daarvoor garant zijn. Aan de lamp hing hij een van die rode bellen, die opgevouwen weinig lijken, maar naderhand nog aardig meevallen. Toen dekte hij de tafel. Hij had hiervoor urenlang over drie winkels verdeeld in de rij gestaan, maar het zag er dan ook goed uit. Naast elk bord stak hij ten slotte een kaarsje aan, waarvan je er tien in een doos koopt, en klapte in zijn handen. Dit was het teken om binnen te komen. Zijn vrouw en kinderen, die al die tijd in de keuken elkaar met een verlegen glimlach hadden aangekeken, kwamen bedremmeld binnen. 'Nee maar,' zeiden ze, 'dat had je niet moeten doen.' Maar omdat hij het toch gedaan had gingen ze blij zitten en keken elkaar warm aan.
' En nu gaan we niet alleen smullen', zei de man, ' we moeten ook beseffen wat er nu eigenlijk gebeurd is.' En hij las voor hoe Maria en Jozef alle herbergen afliepen, maar nergens was er plaats. Maar het kind werd ten slotte toch geboren, zij het in een stal. En toen begonnen ze te eten, want nu mocht het, al was er dan veel ellende in de wereld. ' Kijk,' zei de man 'dat is nu Kerst vieren en zo hoort het eigenlijk' en daarin had hij gelijk. En zij verwonderden zich over de hardvochtigheid van al die herbergiers, maar het was ook tweeduizend jaar geleden moet je denken, zo iets kwam nu niet meer voor. En op dat ogenblik werd er gebeld. De man legde de banketstaaf die hij juist aan de mond bracht, verstoord weer op zijn bord. 'Dat is nu vervelend,' zei hij, 'er is ook altijd wat.' Hij knoopte zijn servet los, sloeg de kruimels van zijn knie en slofte naar de voordeur.
Er stond een man op de stoep met een baard en heldere, lichte ogen. Hij vroeg of hij hier ook schuilen mocht, want het sneeuwde zo. Het was namelijk een Witte Kerst, dat heb ik nog vergeten te zeggen, hoe kan ik zo dom zijn. De beide mannen keken elkander een ogenblik zwijgend aan en toen werd de een door een grote drift bevangen. 'Uitgerekend op Kerstmis,' zei hij, 'zijn er geen andere avonden' en hij sloeg de deur hard achter zich dicht. Maar terug in de kamer kwam er een vreemd gevoel over hem en de tulband smaakte hem niet. 'lk ga nog eens even kijken,' zei hij, 'er is iets gebeurd, maar ik weet niet wat.' Hij liep terug naar de stoep en keek in de warrelende sneeuw. Daar zag hij de man nog juist om de hoek verdwijnen, met een jonge vrouw naast zich, die zwanger was.
Hij holde naar de hoek en tuurde de straat af, maar er was niemand meer te zien. Die twee leken wel in de sneeuw te zijn opgelost. Want het was, zoals gezegd, een witte Kerst. Toen hij weer in de kamer kwam zag hij bleek en er stonden tranen in zijn ogen. 'Zeg maar even niets,' zei hij, 'die wind is wat schraal, het gaat wel weer over.' En dat was ook zo, men moet zich over die dingen kunnen heen zetten. Het werd nog een heel prettig Kerstfeest, het was in jaren niet zo echt geweest. Het bleef sneeuwen, de hele nacht door en zelfs het kind werd opnieuw in een schuur geboren.
verhaal.4 (Een gezellig Kerstfeest, door Ries Moonen)
Sinterklaas zat alweer lang en breed in Spanje en Jetje had gisteren het allerlaatste speculaasje uit de koektrommel gegeten.
Iedereen weet wat dat betekent: Kerstmis stond weer voor de deur.
Toen ze ‘s avonds zaten te eten, vroeg Jetjes moeder: ‘Wat doen we met de feestdagen?’
‘Lekker eten natuurlijk,’ zei Jetjes vader.
‘Dat doen we toch elk jaar. Lekker eten en een lekkere fles wijn erbij.’
‘En we nemen een grote kerstboom,’ zei Jetje.
‘De grootste die er is. En we hangen er gekleurde ballen in en de trekpop die ik gezaagd heb. En een heleboel kransjes. En we nemen ook een stalletje met Jozef en Maria.’
‘We zijn toch niet katholiek,’ zei haar moeder.
‘Dat heeft er niets mee te maken,’ zei Jetje.
‘Iedereen mag een kerststalletje hebben.’
‘Als je maar weet dat ik geen kerstgroep ga kopen,’ zei Jetjes moeder.
‘Die zijn vreselijk duur. Maak zelf maar een kerstgroep van klei. Per slot van rekening heb je boetseren op school.’
‘Dat is een goed idee,’ zei Jetjes vader.
‘Dan maak ik er een kerststalletje bij, van boomschors.’
‘Maar wat doen we verder?’ vroeg Jetjes moeder.
‘Niks,’ antwoordde haar vader.
‘We eten lekker, we lezen een boek en we doen af en toe een spelletje. En ‘s ochtends na het kerstontbijt maken we een flinke wandeling om weer honger te krijgen.’
‘Ik vind het maar niks,’ zei haar moeder.
‘Wat wil jij dan?’ vroeg haar vader.
‘Iemand uitnodigen die geen gezelschap heeft en eenzaam is,’ zei haar moeder.
‘Waarom juist op Kerstmis?’
‘Daarom,’ zei haar moeder.
‘Jullie willen een kerstboom en lekker eten. En ik wil iemand uitnodigen die eenzaam is.’
Jetje liep er een paar dagen over na te denken.
Eigenlijk had haar moeder groot gelijk. Met Kerstmis moest je eenzame en hongerige mensen uitnodigen, dat hoorde zo. Ze kende er trouwens wel een paar.
Maar eerst wilde ze een kerstgroepje maken.
Haar vader timmerde een prachtige stal.
De achterkant had hij gevlochten van net en daarbij had hij zich in zijn vinger gesneden.
Het dak was van boomschors en naast het lege kribbetje had Jetje een schemerlamp uit haar poppenhuis gezet.
Dat was voor de gezelligheid. Met de beeldjes van klei werd het niks. Ze kon alleen maar van die stomme prutspoppetjes maken. Maar gelukkig moest de kledingzaak van Blokker een paar oude etalagepoppen kwijt.
Die waren op de stoep gelegd, bij het grootvuil. Jetje nam ze mee en maakte er een prachtige kerstgroep van. Jozef zat op de fiets van haar moeder, haar pop Bertje was het kerstkindje. Dat zat in het zitje aan het stuur, en Maria zat achter op de bagagedrager. Maria had de blauwe badjas van haar vader aan.
verhaal.5 (De engel, door Godfried Bomans)
Boven, in het topje van de kerstboom, stond een engel. Hoe zij daar gekomen was, dat kon zij zich met de beste wil niet meer herinneren. Zij had nog een vage heugenis aan een nauwe, donkere ruimte, waaruit zij opeens door een kleine hand in, een zee van licht getild was. Het was een glorieuze geboorte geweest en sinds dat ogenblik was zij altijd gelukkig geweest. Dit alles had eigenlijk nog maar één avond geduurd, maar voor een Kerstengel is dat een eeuwigheid, dat begrijp je wel.
Arme, kleine Kerstengel! Zij wist niet dat het Kerstfeest slechts een enkele avond duurt en dat die al bijna voorbij was. Zij stond, met een blikken knipje aan de boom bevestigd, zachtjes heen en weer te wiegen en keek door haar gazen vleugels naar de lichtjes der kaarsen, die beneden haar brandden.
En opeens, daar doofde een kaars uit. Meerdere volgden.
Het werd steeds donkerder om haar heen en ten laatste zag zij niets dan de zwarte nacht. De engel nieste, want de walm der gedoofde kaarsen prikkelde in haar neus. In het begin dacht zij dat het een grapje was, maar toen het donker bleef, kwam zij tot nadenken. "Ik had beter moeten opletten, toen het nog licht was," dacht zij spijtig, "ik heb helemaal niet gekeken. ik herinner mij eigenlijk niets. Absoluut niets. Werd het maar weer licht."
En het werd licht. Maar hoe geheel anders was dit licht. Grauw, groezelig en met tegenzin viel het door een groot, vierkant raam, en eer het ten volle ontloken was, kwam er een dienstbode in de kamer; pakte de Kerstboom en smeet hem op zolder.
Bom. Daar lag de engel en keek recht in een naad van de planken vloer. Het was er verschrikkelijk koud, en buitengewoon ongezellig. In het begin dacht de engel weer: "Kom, kom het is maar een grapje," maar toen zij daar drie volle dagen en nachten in de naad van de houten vloer gekeken had, begon zij. zich ernstig ongerust te maken.
En hoe langer zij over het licht van het vierkante raam nadacht, hoe duidelijker begreep zij dat dit het mooiste was dat zij ooit gezien had. "Ik zal proberen het je uit te leggen," sprak zij op een maartse dag tegen een muis, die juist voorbijkwam, "door een glazen gat in de hemel viel een verblindend licht bovenop mijn hoofd. Dat is het mooiste wat ik ooit heb meegemaakt. Ik kan je niet zeggen, hoe gelukkig ik eigenlijk was. Maar ik was in die tijd erg onnozel: ik besefte het niet. Nu weet ik het. En nu is het te laat. Maar ik heb tenminste de herinnering." "Dat is altijd wat," meende de muis, na er een hele tijd over te hebben nagedacht, "goedendag, ik moet verder."
Op een dag kwam de meid op zolder en vond de Kerstengel in een schemerige hoek op de grond liggen. En zij nam haar op en smeet haar in het kolenhok. Daar lag zij, tussen twee turven, recht tegenover een somber kijkend stuk antraciet. Een week lang zweeg de engel, want zij vond dit geen gezelschap om tegen te praten.
Doch eindelijk, op een dag in september, kon zij zich niet meer inhouden. "Jullie hebben er geen flauwe voorstelling van;" sprak zij, "hoe het licht op zolder is. Het doet bijna pijn aan de ogen, zó stralend is het. Jammer genoeg was ik toen te beperkt om mijn zaligheid ten volle, te begrijpen. Maar ik heb nu tenminste iets om aan te denken." "Dat is altijd wat," meende het stuk antraciet, "maar ik vind de verlichting hier ook heel redelijk."
De engel, zweeg. Tegen zulk een bekrompen opvatting was het vruchteloos te spreken.
Op zekere ochtend nu speelde het, jongetje, dat in het huis woonde, in het kolenhok. En toer hij de engel zag nam hij haar op en, wierp haar in de vuilnisbak. Het was er aardedonker. De engel vatte haar,nieuwe toestand aanvankelijk als een scherts op, doch toen het drie dagen lang donker bleef, zó pikdonker, dat niemand in de vuilnisbak een hand voor zijn ogen zag, kwam zij tot nadenken. Zij dacht en, zij dacht, en ten laatste kon zij het niet meer houden en riep: "Is hier soms iemand om naar mij te luisteren?" "Jawel," zei een stuk spiegelglas, "als het niet te flauw is."
En de engel vertelde van het verblindende licht in het kolenhok en hoe verrukkelijk het daar geweest was. "Ik was te dom," besloot zij met een zucht, "om het te begrijpen. Maar nu begrijp ik het. Ik zie het helemaal in." Het stuk spiegelglas zweeg, want het had zoveel ijdelheid in zijn leven gezien, dat het wat eenkennig geworden was.
Op een donderdag, in de namiddag, toen het al wat schemerig was, kwam de vuilnisman voorbij. Hij sloeg het deksel op en zag de engel liggen. Nu is het altijd prettig een engel te ontmoeten, doch als men vuilnisman is, voelt men zich dubbel verblijd. En hij stak de engel in zijn zak en gaf haar 's avonds aan zijn vrouw. "Alsjeblieft," zei hij, "voor de Kerstboom." En de vrouw van de vuilnisman borg de engel in een kartonnen doos en zette de doos in de kast.
"Hallo," zei de engel, na een tijdje stil te hebben gelegen, "is hier iemand?"
Maar er was niemand in de doos dan het houtwol waarin de engel lag; en houtwol, dat weet je, heeft een zwijgzame aard. En dat was maar heel goed, want, de engel had eigenlijk helemaal niets te vertellen. Want hoe zij ook dacht en peinsde over haar oude vuilnisbak, zij zag er niet meer licht in dan in de kartonnen doos waarin zij nu lag: het was in beide even donker. En toen, eindelijk, toen zij begreep dat het niet zwarter meer kon worden, liet zij het verleden varen en dacht aan de toekomst.
En een nieuw gevoel doorstroomde haar, zij gevoelde zich blij en vol verwachting. Alle spijt en alle wrok weken uit haar hart, en zij lag stil en met open ogen te wachten op de kleine hand, die haar omhoog zou heffen uit het duister naar het licht.
En de hand kwam en hief haar omhoog naar het topje van een kerstboom. De Kerstboom was veel kleiner dan die van het vorig jaar en er brandden ook minder lichtjes in. Maar dat zag de engel niet. Met een blikken knipje aan de top bevestigd, wiegde zij zacht heen en weer en keek door haar gazen vleugels naar de fonkelende versierselen van de boom. "Verrukkelijk," dacht zij, "verrukkelijk. Maar laat ik dit keer goed opletten. Dadelijk is het voorbij. En dan wil ik alles gezien en alles geweten hebben."
En zij sperde haar ogen wijd open en zij tuurde dwars door de takken naar beneden. En zij zag, de vuilnisman staan, in een nieuw pak gestoken, zijn vrouw,en hun beider kind, met een blauwe strik in het haar. En de ogen van het kind keken strak en regelrecht in een klein, open huisje, waarin ook een man, een vrouw en een kind te zien waren, maar véél en véél kleiner, en verder een os, en een ezel, zo groot als, de beestjes in een speelgoeddoos.
Opeens schrok de engel. Want daar, aan de nok van het huisje, was een engel bevestigd als zij, met dezelfde gazen vleugels en hetzelfde lint met de handen ophoudend als zij in haar eigen handen hield. En nu voor het eerst kon zij de woorden lezen, die erop stonden: "Glorie aan God en vrede op aarde aan de mensen van goede wil."
En een gevoel, van diep geluk doorstroomde de eenzame engel boven in de boom, die zich zo lang verlaten en verongelijkt had gevoeld. "Ik heb een Boodschap in mijn handen," dacht ze fier, "nu kan mij niets meer gebeuren. Welke ongelukken mij ook zullen overkomen, ik heb mijn schat bij mij en niemand kan mij die ontnemen."
En er overkwamen haar vele ongelukken. Want in het vierde jaar brak zij af van de boom en kwam in een blokkendoos terecht, en van hier uit belandde zij in de lappenmand. En tenslotte woei zij in de tuin op een hoop dorre bladeren en lag daar stil op haar rug naar de jagende wolken te kijken. En zij voelde, hoe zij langzaam en pijnloos verteerde, dag na dag; maar zij hield het lint stevig vast en, er was geen bitterheid in haar. Want zij wist dat zij een wezen was; bestemd om dood te gaan, doch uitverkoren om de Goede Boodschap tot het einde te bewaren.
